De Dwerg

Het ontstaan van de dwerg

De Kleurdwerg is een Nederlands ras. Het ras werd omstreeks de jaren 30 in Nederland ontwikkeld uit witte Pooltjes en wilde konijntjes van een klein slag. Algemeen worden dhr. Andrea, J.A. Schippers, dhr. hoefman. C.W Calcar, maar vooral J. Meyering uit het Betuwse Opheusden als de belangrijkste fokkers beschouwd in totstandkoming van het ras. Het werd in 1938 voor het eerst door dhr. Hoefman uit Brielle op een tentoonstelling uitgebracht. In 1940 werd het ras officieel als zodanig erkend door de Nederlandse konijnenfokkersvereniging en ondanks het feit dat men in de rasstandaard in wezen alle erkende konijnenkleuren toestond waren de eerste Kleurdwergen vrijwel allemaal konijngrijs. Er werd destijds een maximum gewicht aangehouden van 1,5 kilo en ene maximum oorlengte van 7 cm. Na de Tweede Wereldoorlog is de effen zwarte kleurslag tot ontwikkeling gekomen. Vervolgens ontwikkelden de fokkers ook ijzergrauwe dieren en diverse marterkleuren.

Door inkruising van andere rassen werd het kleurgamma van de Kleurdwerg met een specifiek kleurpatroon was de Kleurdwerg met rus uitmonstering. Dit was een lange tijd de enigen bekende uitmonstering, maar tegenwoordig komt de Kleurdwerg in vrijwel alle bekenden aftekeningen en uitmosteringen voor. Aan het einde van de jaren 40 kwamen Kleurdwergjes in Engeland terecht, waar ze binnen korte tijd erg populair werden onder de rasnaam Netherland Dwarf. Amerikaanse konijnenliefhebbers ontdekte de Kleurdwerg pas veel later. De eerste exemplaren werden in 1969 geïmporteerd. Ook in Amerika hield men de rasnaam Netherland Dwarf aan en wist het ras met zijn kleine postuur en uitgebreide kleurengamma al snel de harten van Amerikaanse konijnenliefhebber te winnen. Hoewel de Kleurdwerg apart gekeurd wordt van de Pool, worden beide rassen in zowel Engeland als de Verenigde Staten als een en hetzelfde ras beschouwd.

Kleurdwergen hebben een levendig karakter. Samen met de Pooltjes vormen ze zonder meer het populairste konijnenras ter wereld. Een deel van hun populariteit hebben deze konijnen te danken aan hun grootte. Vanwege hun bescheiden postuur kan het ras ook gehouden en gefokt worden door fokkers die minder riant behuisd zijn. Verder komen bij dit ras vrijwel alle kleuren en kleurpatronen voor die we kennen van andere konijnen rassen. De Kleurdwergfokker heeft dus keuze te over. Buiten de grote populariteit die dit ras bij fokkers heeft, is het erg in trek als huisdier. Enkel is het wel zo dat er bepaalde kleurslagen zijn die erg moeilijk zijn te fokken.

We nemen de Feh kleur als voorbeeld:

Het fokken van de kleurdwerg in de kleurslag Feh (een prachtige, zacht blauwgrijze kleur met een kenmerkende bruinachtige waas of 'lichte aanslag') staat binnen de konijnenfokkerij bekend als een behoorlijke uitdaging. Hoewel het resultaat prachtig is, lopen fokkers tegen verschillende genetische en uiterlijke obstakels aan.

Hier zijn de belangrijkste redenen waarom het zo moeilijk is om deze specifieke kleurslag perfect te fokken:

1. De genetische complexiteit (De 'Gauw-Chinchilla' factor)

Genetisch gezien is Feh een combinatie van verschillende factoren. Het is in feite een verdunde vorm van de konijngrijze of chinchilla-kleurbasis, specifiek beïnvloed door de factor voor verdunning (d) en de bruinfactor (b).

Om de juiste kleur te krijgen, moeten de juiste recessieve genen perfect samenkomen. Als een van de ouderdieren stiekem andere verborgen (heterozygote) genen meedraagt, zie je dat direct terug in de nakomelingen. Dit resulteert vaak in jongen die net te blauw, net te bruin, of simpelweg 'gekleurd' zijn zonder de gewenste Feh-uitstraling.

2. De balans tussen blauw en de bruine gloed

De standaard voor Feh vereist een heel specifieke balans:

  • Een egale, lichtblauwe dekkleur.

  • Een zachte, lichtbruine tot parelgrijze sluier (ook wel de 'bruine aanslag' genoemd) over de rug en zijden.

Het is extreem lastig om deze balans stabiel te houden. Foklijnen neigen er vaak naar om door te slaan naar één kant:

  • Te blauw: Het konijn lijkt genetisch te veel op een 'Blauwe Marburger' of een gewone blauwe kleurdwerg, waardoor de typische Feh-gloed ontbreekt.

  • Te bruin of 'roestig': De bruine aanslag wordt te dominant of vlekkerig, wat op tentoonstellingen wordt gezien als een foutieve dekkleur.

3. De tussen- en grondkleur

Bij de keuring van een Feh kleurdwerg wordt niet alleen naar de buitenkant gekeken, maar wordt ook de vacht tegen de haargroei in geblazen.

  • De tussenkleur moet vaak een specifieke nuance tonen (vaak iets lichter of juist warm van toon, afhankelijk van de precieze rasstandaard).

  • De grondkleur (de haarkleur dicht bij de huid) moet stevig blauwachtig zijn.

Het harmonieus krijgen van de dekkleur, tussenkleur én grondkleur is een genetische puzzel. Vaak is de dekkleur mooi, maar is de grondkleur te flets of wit, wat leidt tot puntenaftrek.

4. De invloed van raseigenschappen (Type en Bouw)

Een Feh kleurdwerg moet in de eerste plaats een goede kleurdwerg zijn. Dat betekent: een compact, gedrongen lichaam, een bolle kop, en korte, goedgeplaatste oortjes.

Omdat de Feh-kleurslag relatief zeldzaam is, is de genetische vijver (de genenpoel) waarin fokkers vissen erg klein. Als je puur selecteert op de perfecte Feh-kleur, lever je vaak in op de bouw en het type van het konijn. Wil je daarentegen de bouw verbeteren door te kruisen met een andere kleurslag (zoals zwart of konijngrijs), dan raak je de pure Feh-kleur vaak weer voor generaties kwijt.

Kortom: Het fokken van een Feh kleurdwerg vereist een enorme dosis geduld, diepgaande kennis van de mendeliaanse genetica en strenge selectie. Het is de kunst van het balanceren op een dunne lijn tussen blauw en bruin, zonder het typische, compacte dwergenkarakter te verliezen.